BRAM DE JONGHE BIJ 1646

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Via een kabelsysteem legt een brandende kaars hoog in de de ruimte van 1646 constant dezelfde route af. De kaars beweegt zich met hoge vaart de ruimte rond en laat sporen kaarsvet achter op de muren waarlangs hij zich manoeuvreert. De verandering die het werk ondergaat – de kaars brandt steeds verder op en de muren zitten steeds meer onder het kaarsvet – zal zich verder voortzetten, ook na mijn bezoek aan de tentoonstelling. Transities als deze in de tentoonstelling En dat ook van Bram de Jonghe zijn subtiel van aard en lijken de toeschouwer vooral stil te willen laten staan bij het concept van tijd en hoe het verstrijken ervan niet alleen uiterlijke verschijnselen langzamerhand beïnvloedt, maar ook hoe weinig bewust we hiermee omgaan binnen ons veelal overhaaste bestaan.
Bramdejonghe05
Bram de Jonghe vraagt de bezoeker de tijd te nemen. Hoog op de muur waar de kaars om de zoveel tijd passeert, is een projectie te zien van een visser die geduldig wacht op zijn vangst. Het serene beeld van de figuur die met zijn rug naar de beschouwer zit, de zee aanschouwend vanaf een rotsblok, doet denken aan schilderijen uit de Romantiek. Alle werken van De Jonghe hebben wel iets te maken met dit naar binnen keren. Er heerst in zijn werk iets mystieks, wat niet helemaal te duiden valt en waar intuïtie een grote rol speelt.
BramdeJonghe
Sommige werken ontwikkelen zich puur door de eigenschappen van het materiaal waarmee zij tot stand zijn gekomen. In het strakgespannen plastic langs de plint ontstaan naarmate de tijd vordert meer gaten en inkepingen. De teersculpturen veranderen, hoewel in een zeer langzaam tempo, eveneens van vorm. Door deze eigenschappen ontstaan verbindingen met de natuur, waarin dezelfde soort processen van groei of vergankelijkheid zich voordoen. Omgekeerd is de natuur ook aanwezig in het werk van De Jonghe. De schelp vormt een terugkerend element in zijn werk: als overblijfsel van leven dat zijn omhulsel van zich af heeft geschud, refereert het aan dat wat er niet meer is.
Bramdejonghe02
De Jonghe verbindt de schelpen aan constructies die juist ver af staan van de natuur, maar die er qua vorm soms wel bij aansluiten, zoals de constructies in metaal. Een metalen armpje met aan het uiteinde een parelmoerkleurig schelpje steekt uit een muur. Verderop, een stapeling van mosselschelpen die met elkaar een soort uitvergroting van zichzelf vormen – ook hier is de toevoeging van de metalen constructie goed waarneembaar.
Bramdejonghe06
Daarnaast zijn er een aantal werken die bewegen. In de eerste ruimte draait in een constructie van metaal en glas een brandende tl-buis in rondjes. In de achterste ruimte (de kunstenaar bracht de scheidingen in de ruimte zelf aan) is een installatie te zien van metalen buizen, met aan de onderkant allerlei draden die naar een stopcontact lopen. Ze suggereren dat het apparaat tot van alles in staat is. Op een van de buizen hangt nonchalant een strooien hoed, ernaast in een gaatje een vogelveer. De voorwerpen versterken het idee dat we hier met een niet langer werkend apparaat te maken hebben; het doet inmiddels dienst als kapstok of bewaarplek. Terwijl ik er naar kijk, gebeurt er lange tijd eigenlijk niets, menig bezoeker is al doorgelopen. Maar dan schiet ineens een buis omhoog, waardoor een lichtgevende tl-balk tevoorschijn komt. Opnieuw blijkt geduld een belangrijk element in het werk van De Jonghe. Het laat zien dat de zaken toch anders zijn, dan ze op het eerste gezicht lijken.

Het licht van de kaars zal op een bepaald moment uitflikkeren, ook het onnatuurlijke tl-licht houdt er ooit mee op. De tijd waarbinnen dit zich zal voltrekken staat ver van mijn bezoek aan 1646 af, dat in termen van kloktijd kan worden gemeten. Bram de Jonghe’s werk dwingt tot reflectie over historische en mythische tijd en laat mij fantaseren over onnatuurlijke processen, smeltend teer en eeuwige mosselen.

Alle foto’s door Jhoeko

Geplaatst op Metropolis M